Reis naar de sterren
Dit is het verhaal van Joost. Het is geschreven door Ed van
Tellingen, zijn vader, die journalist is bij de Drentse
Courant/Groninger Dagblad. Dit verhaal stond in de kerstbijlagge van
1997.
Wij drukken hier de volledige tekst af, met toestemming van de
schrijver.
Dit is het verhaal van Joost en de reuzenspiegel. Dat klinkt
als een sprookje, maar is het niet. Het is het verhaal van een
achtjarige jongen die autisme heeft. Samen met hem reiken wij naar
de sterren. Hoe ver wij ook komen, de weg erheen is adembenemend.
Joost fladdert met zijn handen en ik spiegel hem. Ik doe wat hij
doet. Joost danst met de lichtvoetigheid van een gazelle, en ik volg
de sporen die zijn danspasjes achterlaten. Zijn blikken schieten van
links naar rechts, sneller dan zijn schaduw kan volgen. En hup, ik
er weer achteraan, met de souplesse van een veertiger die zijn
nekwervels voelt kraken. Ik klamp aan. Flits. Een paar tienden van
seconden ontmoeten onze blikken elkaar. ,,Mooi gedaan Joost,'' juich
ik.
Door Ed van Tellingen
Hij pakt de bal en stuitert hem zo dat ik verder moet stuiteren.
Flits. Weer zo'n blik die heel even in mijn ogen blijft hangen. Mijn
aanmoediging moet buiten te horen zijn. De bal stuitert nu van Joost
naar mij en van mij naar Joost; steeds rapper en steeds
gemakkelijker alsof een onzichtbare kracht razendsnel de bal van de
ene naar de andere dirigeert. Joost slaakt kreten van opwinding en
ik ga daar nog eens dunnetjes overheen. Mijn knieën beginnen te
protesteren, en dat is geen wonder. Gedurende ons een-tweetje op de
blauwe grasmat van zijn kamer blijf ik zo door mijn knieën zakken
dat mijn ogen continu op zijn ooghoogte zitten.
Dan gebeurt het wonder. De oesterschelp klapt open. Joost lacht
een prachtige bek vol tanden bloot, zijn blik ontmoet de mijne. Geen
flits, geen twee flitsen, maar seconden achtereen. Contact. Even hap
ik naar adem en zwijg in een moment van stille verrukking. Dan gooit
hij zijn handen om mijn nek, slingert zijn benen om mijn heupen. Wat
ik nog aan knieën over heb, steunt en kreunt, maar ik weet van geen
wijken. Onze neuzen raken elkaar, en Joost kijkt. Kijkt mij aan.
Kijkt in mijn ogen en nergens anders in. Hij lacht, ik lach. Hij
grinnikt, ik grinnik. De vonken spatten ervanaf. Een achtjarige
autistische jongen draait het contactsleuteltje om en laat de motor
ronken. Hoe lang? Een halve minuut? Een hele minuut?
Zijn lach houdt op, maar zijn gezicht blijft stralen. En ik
straal terug. Joost kan niet praten, maar het contact dat hij zonder
woorden tot stand kan brengen zegt meer dan een complete Tweede
Kamer in een heel jaar bij elkaar praat. Het gebeurt met de kracht
en schoonheid van een zonnestraal die op een decembermiddag nog
juist door de spleten van een zwaar wolkendek heen breekt.
Verpletterend. En oogverblindend. Maar niet voor ons. Joost en ik
zien op dat moment zo veel meer dan gewone stervelingen ooit te zien
krijgen.
Thuisprogramma
In augustus zijn wij begonnen met een thuisprogramma voor Joost.
Mijn vrouw Dity en ik. Vooral Dity. Zij is de ziel en motor van een
project dat zich grotendeels thuis afspeelt. Alleen woensdag gaat
Joost vanuit Meppel nog naar de dagopvang De Krulekoare in
Hoogeveen. De opvang is warm, liefdevol en kundig. Maar wij willen
dat hij meer vaste grond onder zijn voeten krijgt. Dat kan alleen
thuis.
Want Joost blijft op zijn tenen lopen. Letterlijk, al vanaf zijn
tweede levensjaar toen zijn autisme doorbrak en zijn ontwikkeling
knakte. Maar ook in figuurlijke zin. Hij mist het vermogen om
samenhang aan te brengen in de informatie die hem van alle kanten en
in een eindeloze stroom overspoelt. Het leven dendert over hem heen
met het geweld van een goederentrein waaraan geen einde komt. En dat
met hypergevoelige zintuigen die bijna non-stop op maximale sterkte
staan. Hij heeft geen adaptor die de netspanning van het leven
reguleert tot hanteerbare stroomstootjes. Zijn hele, jonge leven
gaat hij al gebukt onder een kolossale hoeveelheid stress die hem
thuis laat exploderen.
Dity en ik zijn gecharmeerd van het Son-Rise programma van
de Amerikaan Barry Neil Kaufman. Al jaren. Meer nog een
levenshouding dan een programma. Een houding die de familie Kaufman
in staat stelde de stilte van haar autistische zoon Raun te
verbreken. Kaufman schreef er boeken over; zo ook over de houding
van liefde en acceptatie die zo veel warmte uitstraalt dat barriëres
wegsmelten. Een houding die mij niet zo veel moeite kost. Ik hield
van Joost voordat zijn autisme een ogenschijnlijk onoverbrugbare
gracht had gegraven rond het bastion dat hij had opgetrokken; en ik
hield zo mogelijk nog meer van hem nadat hij de ophaalbrug omhoog
had gehaald en zich had teruggetrokken in zijn wereld.
Met Joost willen wij reiken naar de sterren. Waar wij ook
uitkomen, de weg erheen is prachtig. Het Son-Rise programma
geeft geen garantie voor welk resultaat dan ook. Wij zijn domweg
blij en gelukkig met Joost zoals hij nu is. En wij zijn dankbaar en
enthousiast (en dat uiten wij bij hem ook op die uitbundig
Amerikaanse wijze) voor elke stap die hij zet. Ouders spelen een
sleutelrol. Zij zijn de deskundigen, zij kennen hun kind als niemand
anders. Dity en ik kleuren het programma in op onze wijze. Want er
is maar een Joost.
Stap voor stap
En nu zijn wij begonnen. Stap voor stap. Omdat de tijd rijp is.
Zijn kamer hebben wij opnieuw ingericht. Want daar gebeurt het
allemaal op zijn blauwe grasmat. Dat is zijn territorium. Het is
zoiets als een terugkeer naar de baarmoeder waarin wij meedeinen op
de golven die hij teweegbrengt. Alles wat afleidt van direct
menselijk contact is uit de kamer gehaald; alles wat kan helpen het
contact tot stand te brengen komt daarvoor in de plaats. Zijn raam
is afgeplakt, waardoor hij zich niet verliest in het staren naar
buiten.
Aan de muur hangen planken. Daarop staan insteekpuzzels,
blokkendozen, muziekinstrumenten, boekjes en alles wat je maar nodig
hebt op een dag. In de hoek staat nog een trampoline. Langs een wand
lokt een reusachtige spiegel, het hulpmiddel bij uitstek voor Joost
om uit zijn schulp te kruipen. De spiegel domineert zijn kamer. Hoe
vaak blikt hij niet in die spiegel en via de spiegel naar mij. En
hoe vaak kijk ik via de spiegel niet terug naar hem als direct
contact hem te veel pijn doet. Naast de spiegel een solide deur met
daarin een one-way-screen: vanuit zijn kamer kan Joost er
niet door kijken. Vanaf de overloop kunnen anderen Joost en zijn
speelmaat observeren. Het is de manier waarop wij vrijwilligers
kunnen trainen die ons helpen een brug te slaan naar Joost.
Aandacht
Joost absorbeert erg veel ruimte en aandacht binnen ons gezin,
maar hoe zit het nu met Rik, zijn vijfjarige broer?
,,O, die redt zich wel,'' antwoord ik droogjes.
Een beetje choqueren op zijn tijd ligt mij wel. Zeker wanneer ik
kregelig ben. En dat word ik als die goedbedoelde maar o zo
irritante waarschuwing weer opklinkt dat wij ook Rik voldoende
aandacht moeten geven. Hallo, vertel ons wat. Natuurlijk verdient
Rik de aandacht die elk kind verdient. Maar het is zo gemakkelijk
gezegd. Autisme is een pervasieve ontwikkelingsstoornis: een
stoornis die door alle -en dan ook echt alle- gedragingen van het
kind heen dringt.
En meer dan dat. Autisme is ook pervasief voor het gezin
waarin het autistische kind opgroeit. Het is als een knalrood
T-shirt dat de hele gezinswas doet verkleuren. Het raakt de
mede-gezinsleden tot op het bot. De grote mensen even direct als de
kinderen. Dat is onontkoombaar. De biotoop raakt ernstig verstoord,
en het vraagt alle kunstgrepen van moeder natuur om het natuurlijk
evenwicht weer enigszins te herstellen.
Nou, vooruit, nog een keer: Joost, dat weten wij nu wel, maar hoe
zit het dan met Rik?
Het zal een half jaar geleden gebeurd zijn. Joost had weer een
van zijn wanhoopsaanvallen. Hij kronkelde over de grond, krijste,
sloeg met armen en benen. Wij zaten erbij en wij deden wat wij
altijd doen als de storm in Joost woedt: wij creëren een veilige
haven. Wij praten, wij troosten, en zorgen ervoor dat hij zichzelf
niet verwondt. En Rik? Rik pakte zijn eigen knuffelbeer. Die lieve,
altijd aanwezige beer, bijna kapotgeknuffeld, ooit wit, nu smoezelig
grijs, brommend onder een onuitwasbare laag slijm- en etensresten.
Die beer dus. Beer die hij niet afstaat. Nooit. Aan niemand.
Behalve die ene keer. Samen met beer brak Rik door de
geluidsbarriëre van Joost's wanhoop en legde de beer naast zijn
broer. Rik tilde het armpje op van beer en aaide daarmee over de bol
van Joost. ,,Stil maar, Joost,'' bromde beer. ,,Ik troost je wel.''
Daarna trok Rik zich terug, zonder beer, en ik zag een
beschermengeltje wegfladderen dat Rik voor de meppen van Joost had
behoed. Beer zou daarna nog vaker het kunststukje uithalen.
Die Rik dus. Een pretletter eerste klas. Hij is een geweldige
broer voor Joost. Wij prijzen hem uitbundig. Rik weet niet anders:
Joost is Joost. Maar natuurlijk baalt hij wel eens. Joost praat niet
terug, Joost maakt veel lawaai, Joost kan niet met hem spelen. Joost
dringt door in zijn leven op een heftige manier.
Avontuur
En nu zijn wij op avontuur met Joost. 's Morgens werk ik een uur
met Joost in zijn kamer, voordat ik naar de krant vertrek. Daarna
neemt Dity of mijn zus die als vrijwilliger meedraait het over. De
deur van zijn kamer gaat op slot en Joost accepteert dat. Dat is al
een wonder, want beneden in de huiskamer moet altijd de deur
openstaan. Joost geniet in zijn domein. Hij is de dirigent, hij
bepaalt het tempo. Zijn kamer is de enige plek op de wereld waar hij
de controle heeft. Dat geeft hem grond onder de voeten. Wij
'spiegelen' hem; door op te gaan in zijn spel accepteren wij hem
niet alleen, maar maken wij onze liefde voel- en zichtbaar. Laten
wij zien dat onze wereld de moeite van het veroveren waard is.
In mijn dagelijkse omgang met Joost zie ik mij als kind vaak weer
zwemmen in zee. Dan voel ik weer hoe die ene golf, waarop je soms
eindeloos wachtte, jou optilde om je pas tientallen meters verderop
los te laten. Het was de kunst om exact op het goede moment in die
golf te duiken. Zo gaat het ook met Joost. Wachten, eindeloos
wachten soms, maar dan komt-ie: de golf van Joost waar ik in spring.
Dat is het moment om hem iets aan te reiken -een insteekpuzzel, een
gitaar, een woord. Hij brabbelt 'bl, bl, bl'...op het moment dat wij
met de bal spelen. En ik juich als een Amerikaanse cheerboy en
schreeuw: ,,Bal, Joost; geweldig, je zei bal.'' BAL! Be a happy
detective:gebruik elke clou van hem, hoe minimaal ook. En
vergroot die uit.
Vanzelf
Gaat alles nu vanzelf? Nou neuh. Dity en ik lopen, net als Joost,
voortdurend op onze tenen. Wij hebben meer vrijwilligers nodig, maar
het ontbreekt ons eigenlijk aan energie om hen te trainen. Wij
happen naar adem. Het is fysiek zwaar. Joost heeft de
verzorgbehoefte van een peuter, en dan wel een met een turbomotor
die ons huis als Formule 1-circuit uittest. Altijd en overal loeren
gevaren. Hij is niet zindelijk, maar een jongen van acht heeft geen
suikerroze billetjes meer die zich laten bepoederen. Of wel eens het
haar geknipt van een jongen die panisch is voor elk knipgeluid? Het
lukt mijn vrouw, en dat is een prestatie die in het rijtje van
wereldwonderen thuishoort. Al zes jaar zijn wij samen niet met
vakantie geweest. Dat is niet zielig, maar wreekt zich op sommige
momenten.
Als de kortsluiting toeslaat, wil een droom wel eens helpen. De
droom van een paar maanden geleden bijvoorbeeld. Ik was in mijn
ouderlijk huis en Joost liep naar mij toe. ,,Pappa,'' zei hij, ,,ik
wil een bok.'' Ik was stomverbaasd en schreeuwde naar mijn
familieleden: ,,Joost praat, luister dan, Joost praat.'' En met die
bok bedoelde hij een 'bokkenpoot' die ik elke week op de markt koop.
Een maand geleden droomde ik weer over Joost en -heel wonderlijk-
opnieuw was ik in mijn ouderlijk huis. Joost kijkt mij indringend
aan en zegt: ,,Pappa, ik voel mij zo eenzaam.''
Die hele dag was ik van slag, maar terugdenken aan die droom
inspireert. En wat nog meer inspireert is (nu al) het succes van het
thuisprogramma. Hij sleurt ons mee naar zijn kamer. Hij wil
daarheen. Hij kan zich nu gedeeltelijk zelf uitkleden. Hij kijkt mij
na vanachter het raam, wanneer ik de tuin uitloop. Hij zoekt steeds
meer ons gezelschap op. Hij knuffelt ons telkens weer. Zijn passieve
woordenschat groeit. En (hoera, hoera) hij eet weer aardappels en
groente. Een doorbraak: vijf jaar lang at hij geen piezeltje groente
en geen kruimpje aardappel. Het lijken kleine stappen voor de
mensheid, maar het zijn reuzenschreden voor Joost.
Die jongen zit in mij. Ik voel hem in mijn vingertoppen, in mijn
teennagels, in mijn hart. Ik weet dat ik Joost veel kan bieden; dat
wij hem veel kunnen bieden. Maar het is geen eenrichtingsverkeer.
Joost geeft heel veel liefde terug. Zijn gebaren zijn mij zo
dierbaar; evenals die talloze rituelen, die serene blik, die
subtiele dansjes die hij maakt en -niet te vergeten- die
hypergevoelige antenne die hem dwars door alle facades van
onoprechtheid doet heenkijken.
Wat wij doen is eigenlijk niet meer dan zijn auto rijklaar maken.
Zorgen voor fluweelzachte bekleding op soepel zittende autostoelen.
Alles glimt en blinkt en ruikt naar nieuw. Muziek klinkt uit de
geluidsboxen. Muziek die bij hem favoriet is: Bach (altijd goed),
kinderliedjes en die ene cd met spirituele muziek die zo transparant
is dat zij door zijn muren heen breekt en zo zijn verdriet kan
wegmasseren; een hartverscheurend verdriet dat hem regelmatig
overvalt en te groot lijkt voor een kinderlichaam.
Dat, en nog veel meer, kunnen wij doen. Maar de keus is aan
Joost. Alleen hij kan de auto starten. Alleen hij weet waar hij het
contactsleuteltje bewaart. En als hij dat sleuteltje niet gebruikt?
Dan respecteren wij dat. Joost geeft altijd het beste dat hij in
huis heeft. Ook in dat verkleurde, vaalroze T-shirt voelen wij ons
heel gelukkig met hem.